Tips voor het voeren van klassengesprekken

In gesprek gaan met je klas is enorm leuk en effectief. Het kan echter ook enorm lastig zijn. Ik schreef voor het Mundus College een korte handleiding met tips en voorbeelden. Deze kun je hieronder lezen.

Tips en aanvullingen zijn altijd welkom: stuur me een berichtje via de linkjes in het menu. Samen kunnen we ervoor zorgen dat er nog veel meer mooie en nuttige gesprekken met leerlingen gevoerd gaan worden.

Waarom zou je klassengesprekken voeren?

Een klas is een mini-samenleving. Oefenen met het voeren van gesprekken zal voor de rest van hun leven zinvol zijn. Het voeren van klassengesprekken dient verschillende doelen. Zo is het een middel om erachter te komen wat er in je klas leeft. Waar denken de leerlingen over na? Wat vinden ze? Wat zien en lezen ze? Door met leerlingen in gesprek te gaan laat je zien dat je ze ziet, waardeert en wil begrijpen. Het zelfvertrouwen van de leerlingen zal groeien. Daarnaast is de klas de plek om leerlingen te leren hoe je op een respectvolle manier met elkaar in gesprek gaat over onderwerpen die gevoelig kunnen liggen. Je kan het verschil tussen feiten en meningen concreet maken, complottheorieën betwisten en radicale denkbeelden nuanceren. Tot slot is het ook gewoon heel erg leuk: je bouwt op een andere manier een band op met je klas.

Waar kan je klassengesprekken over voeren?

Eigenlijk overal over. Het belangrijkste is dat je een idee hebt waarom je het gesprek met je klas wilt voeren en echt oprecht geïnteresseerd bent in wat de leerlingen erover te zeggen hebben. De inbreng van de leerlingen staat centraal. Met het gesprek wil je iets met de leerlingen bereiken. Je wilt ze aan het denken zetten over een onderwerp. Tussendoor kan je zelf informatie geven, om de leerlingen met andere feiten of gevoelens te confronteren, dan waar ze zelf in eerste instantie aan denken. Hiervoor is het belangrijk dat je zelf wel enige kennis hebt over het onderwerp. Meningen hebben de leerlingen vaak wel, maar het ontbreekt ze nog wel eens aan feiten. Deze kan jij als docent inbrengen. Hierdoor gebeurt er in de hoofden van de leerlingen meer dan enkel het uitwisselen van meningen. Voorbeelden van onderwerpen zijn: omgangsvormen, social media, pesten, veiligheid, stage-ervaringen, toekomstdromen, vooroordelen, discriminatie, geloof, liefde, homoseksualiteit en eigenlijk alle onderwerpen die spelen in het nieuws / het maatschappelijke debat.

Wat is een effectieve opstelling?

Er zijn verschillende opties. Als je de leerlingen in een kring zet, maak je ze er automatisch bewust van dat er een gesprek gevoerd gaat worden en dat ze naar elkaar moeten luisteren. Ook zorg je ervoor dat naar elkaar luisteren gemakkelijker is, omdat ze elkaar de hele tijd zien. Wel kan een kring extra onrust opleveren, juist omdat ze elkaar de hele tijd zien. Als je dus bang met dat er teveel onrust ontstaat, kan een klassieke busopstelling uitkomst bieden, omdat ze dan minder makkelijk stiekem contact met elkaar kunnen zoeken. Wat niet handig is, is om de tafels in verschillende groepjes te zetten. Een gesprek voeren met de hele klas is dan lastiger omdat de leerlingen eigenlijk alleen op hun eigen groepje gericht zijn.

Hoe begin je?

Optie 1: als je plotseling bedenkt dat het gesprek nodig is
Soms is er een hele duidelijke aanleiding om een klassengesprek te beginnen. “Wilders moet dood.” of “Ik ga echt niet naast leerling X zitten want hij stinkt.” kunnen aanleidingen zijn om je les even stil te leggen en tegen de klas te zeggen dat we ‘hier even met elkaar over in gesprek gaan’. Leerlingen zullen dit over het algemeen gemakkelijk accepteren en zelfs wel prettig vinden, omdat zij ook wel doorhebben dat het heftige uitspraken zijn. Bij een uitspraak als “Wilders moet dood” kan je aan de desbetreffende leerling vragen, waarom hij of zij dat vindt. Laat daarna de rest van de klas erop reageren. Over het algemeen kunnen de leerlingen zelf heel goed verschillende gezichtspunten aan bod laten komen. Mocht dat niet gebeuren, dan kan je als docent andere meningen en feiten inbrengen. Als een leerling een opmerking maakt in de trant van “Ik ga echt niet naast leerling X zitten want hij stinkt.” is het verstandig om het in eerste instantie bij jezelf te houden. “Ik schrik er heel erg van dat jij dat soort opmerkingen maakt, ik vind het naar en het maakt me verdrietig dat jij zo praat over klasgenoten.” Daarna gooi je hem open: “Hoe vinden jullie dat je respect kan hebben voor klasgenoten?” Zo zal er een open gesprek ontstaan over wat je wel en niet kan zeggen, zonder de desbetreffende leerling een vervelend gevoel te geven.

Optie 2: als je het van te voren hebt bedacht
Het kan ook zo zijn dat je als docent van te voren een onderwerp bedenkt waar je met je klas over wilt praten. Op zo’n moment kan je het klassengesprek zelf voorbereiden en kan je de klas ook voorbereiden op het voeren van het gesprek. In het begin van de les vertel je de leerlingen dat je graag een bepaald onderwerp met ze wilt bespreken, je vertelt ze dat je benieuwd bent wat zij van het onderwerp denken en dat je het een goed idee vindt om eens met elkaar van gedachten te wisselen. Je zegt tegen de leerlingen dat ze alles mogen zeggen, maar dat ze er wel rekening mee moeten houden dat ze anderen niet mogen kwetsen. Respect staat centraal. Vervolgens kan je vragen “Wat vinden jullie van…?” of om het nog opener te houden: “Wie heeft er wel eens van … gehoord?”

Wat zijn goede vragen?

In het begin van het klassengesprek is het belangrijk dat je zo open mogelijke vragen stelt, waarbij leerlingen hun mening kunnen geven. (Wat vind je van…? Waarom denk je dat..? Hoe denk je dat het komt dat… ?.”)  Je moet duidelijk maken dat je niet een bepaald antwoord wilt horen, maar dat alle antwoorden goed zijn. Bij verbaal sterke leerlingen kun je vervolgens gaan doorvragen. Je wilt als docent argumenten horen, ze kritisch leren kijken naar hun eigen opvattingen. “Je zegt nu wel dat…, maar wat nou als..” Het liefst stel je open vragen, maar soms is het helemaal niet verkeerd om een gesloten vraag stellen (Dus jij bent tegen …..?) om zo opgehelderd te krijgen wat leerlingen nou echt vinden en of dat niet iets te extreem is. Vervolgens kan je weer gaan doorvragen. Je zult zien dat dit soms niet eens nodig is, omdat leerlingen elkaar gaan bevragen.

Hoe zorg je dat het veilig is?

Veiligheid is de belangrijkste taak van jou als docent. Als docent moet je ervoor zorgen dat alle leerlingen alles durven te zeggen en dat het gesprek niet uit de hand loopt. Het kan handig zijn om aan het begin met de klas te bespreken hoe je met elkaar omgaat tijdens een klassengesprek. Je vraagt dan aan de leerlingen wat zij belangrijk vinden. Vaak komen ze dan zelf wel met ‘respect voor elkaar’, ‘elkaar niet uitlachen’, ‘niet door elkaar praten’, etc. Je kan er ook voor kiezen om als docent te beginnen met: “We gaan nu met elkaar praten over X. Ik vind het belangrijk dat iedereen wat kan zeggen en dat ook iedereen zijn eigen mening kan geven en we daar respect voor hebben. We reageren dus netjes op elkaar, laten elkaar uitpraten en schelden en lachen niet.” Als een leerling dan één van de dingen overtreed, moet je als docent meteen ingrijpen. “Dit hadden we niet afgesproken, zo kunnen we geen gesprek voeren. We hebben hier respect voor elkaar.” Als de desbetreffende leerling hiervan schrikt, kun je gewoon weer doorgaan met het gesprek. Als de leerling het niet serieus neem, spreek je hem of haar hier wederom op aan en vraag je of hij/zij wel aan het gesprek wilt deelnemen. “Als je mee wilt doen, weet je wat de afspraken zijn.” Vaak is dit voldoende om de leerling tot inzicht te laten komen. Mocht het dan nog niet lukken, dan kun je het onderwerp van het klassengesprek laten veranderen in: “Hoe zorgen we er als klas voor dat het veilig is?”.

Hoe krijg je iedereen aan het woord?

Er zijn verschillende opties om iedereen aan het woord te krijgen, het is handig om te kijken wat je zelf prettig vindt als docent en wat bij de klas past.

  1. Je kan gebruik maken van kleine white bordjes. Je laat de leerlingen dan eerst allemaal hun opvattingen opschrijven op hun eigen bordje, laat de leerlingen de bordjes omhoog houden en kiest vervolgens als docent uit welke leerlingen mogen vertellen wat er op hun bordje staat. Het nadeel hiervan is dat het meer tijd kost en dat leerlingen het vaak moeilijker vinden om zich schrijvend uit te drukken dan pratend. Ook is er het gevaar dat er niet echt een gesprek ontstaat.
  2. Je kan gebruik maken van een voorwerp. De leerling die het voorwerp vasthoudt mag wat zeggen, uiteindelijk krijgt iedereen het voorwerp in z’n handen, je kan dit door de leerlingen zelf laten sturen, of als docent bepalen wie het voorwerp krijgt. Nadeel hierbij is ook dat er minder echt een gesprek ontstaat, omdat leerlingen niet meteen op elkaar kunnen reageren als ze daar behoefte aan hebben.
  3. Je kan simpelweg werken met vingers opsteken en als docent ervoor zorgen dat verschillende mensen aan de beurt komen. Om ervoor te zorgen dat iedereen zijn of haar vinger op durft te steken, is het belangrijk dat je als docent heel duidelijk uitstraalt dat je elke inbreng waardeert. Ook leerlingen die minder snel wat durven te zeggen, zullen dan een compliment voor hun inbreng van jou als docent willen, en eerder hun vinger opsteken. Hierbij is het ook heel erg belangrijk dat de sfeer in de groep veilig is. Nadeel is dat het nog steeds zo kan zijn dat niet alle leerlingen hun vinger opsteken.
  4. Ten slotte kun je er ook voor kiezen om juist niet met vinger opsteken te werken, maar als docent constant leerlingen aanwijst die wat mogen zeggen. Hierdoor hou jij als docent de regie over wie er wanneer wat zegt. Nadeel hiervan is wel dat jij als docent niet weet wat leerlingen denken of willen zeggen en je niet precies weet wie het wanneer handig is om aan te wijzen, waardoor het een minder natuurlijk gesprek wordt.

Hoe ga je om met heftige uitspraken?

Het kan voorkomen dat leerlingen dingen zeggen waar de klas en/of jij als docent van schrikken. Hier zal je als docent op moeten reageren. Het belangrijkste hierbij is dat de desbetreffende leerling zich vervolgens niet aangevallen voelt. Jij hebt immers als docent gezegd dat iedereen alles mag zeggen. Als een leerling een heftige uitspraak doet, is het het belangrijkste om door te vragen: “Waarom vind je dat? Leg is uit?” Of om er andere opvattingen tegenover te zetten: “Maar er zijn ook mensen die vinden dat….”.  Uit onderzoek is gebleken dat leerlingen eerder radicaliseren in hun opvattingen als je als docent de uitspraken verwerpt of negeert. Boos worden werkt dus averechts! Als je met de leerling in gesprek gaat, is de kans veel kleiner dat ze na afloop van het gesprek nog steeds heftige gedachten hebben. Leerlingen moeten zich gehoord voelen. Als je de uitspraak echt niet vindt kunnen en het moeilijk vindt om het gesprek voort te zetten, kan je dat ook benoemen: “Ik vind het heel heftig wat je nu zegt, ik schrik er eigenlijk ook wel een beetje van.” Het is belangrijk dat je de reactie hierbij bij de uitspraak van de leerling houdt: de uitspraak is heftig, de leerling niet.

Hoe blijf je bij je doel?

Als je als docent van te voren bedacht hebt wat je bij je leerlingen met het gesprek wilt bereiken, zal je hier gerichte vragen over moeten te stellen en leerlingen die afwijken van het onderwerp vragen hoe zij hun opmerking plaatsen binnen het onderwerp van het gesprek. Zo motiveer je de leerlingen om zelf weer terug te gaan naar het onderwerp. Als je het idee hebt dat een leerling aan het afdwalen is, kan je ook gericht vragen: “Heeft je opmerking te maken met … ?” Vaak geven ze dan al zelf toe: “Nee eigenlijk niet, maar ik wilde het gewoon even zeggen.” Waardeer dan de inbreng van de leerling en keer vervolgens terug naar het onderwerp. Mocht een leerling een onderwerp aandragen dat je ook belangrijk vindt, kan je altijd zeggen: “Wat goed dat je dit zegt, het past alleen nu niet helemaal bij ons gesprek, maar laten we het er een andere keer over hebben.” Noteer het en kom er op een ander moment op terug. Soms is het overigens niet erg om af te wijken van je doel, als je tijdens het gesprek merkt dat er in de klas de behoefte leeft om ergens anders over te praten, kun je er gewoon voor kiezen om dat te doen. Zorg er dan wel voor dat je een nieuw doel voor het gesprek formuleert, zodat het gesprek wel nog ergens naar toe gaat en het niet in het luchtledige kletsen wordt. Dan heeft het weinig zin.

Hoe rond je af?

De beste manier om een gesprek af te ronden, is om een samenvatting te geven van wat iedereen gezegd heeft en iedereen nog eens te bedanken voor wat ze gezegd hebben. Als je duidelijke conclusies hebt na afloop is het goed om die te benoemen. Zijn jullie eigenlijk nog niet uitgepraat, maar is de tijd om? Dan is het verstandig om dat gewoon te benoemen. “Ik heb veel verschillende dingen gehoord vandaag. Zoals ….. Heel veel dingen zijn ook nog niet gezegd, we zijn er nog niet uit, maar helaas moeten we stoppen omdat jullie naar je volgende les moeten. Jullie hebben heel goed mee gedaan, we komen hier vast nog eens op terug. Dankjulliewel.”