Deze column verscheen eerder in Trouw.
De geplande bezuinigingen op het onderwijs worden deels teruggedraaid, en dat is natuurlijk heel fijn. Er worden veel nuttige dingen gedaan met de subsidies die het kabinet-Schoof aanvankelijk wilde schrappen. Maar nu tijd voor een kritische noot. Kansengelijkheid? Daar gaat het nieuwe kabinet niet voor zorgen. Aan armoede doet het voorlopig niks.
Aan het begin van het jaar breng ik bij al mijn leerlingen huisbezoeken. Kinderen die met het hele gezin op één kamer slapen zijn geen uitzondering. Ouders die (overdag én ’s nachts) keihard werken in de zorg of schoonmaak om hun kinderen van eten en kleding te voorzien, en dan toch aan het einde van elke maand geld tekortkomen: we horen de verhalen keer op keer. Het zijn geen incidenten maar structurele problemen gecreëerd door overheidsbeleid. Zoals een minimumloon waarvan je geen gezin kan onderhouden of een gebrek aan investeringen in sociale huurwoningen.
Door heel Nederland wachten honderdduizenden op een betaalbare gezinswoning. Volgens het Armoedefonds hebben 1,7 miljoen mensen het financieel zwaar. Armoede zorgt voor stress en tal van andere problemen, wat het opvoeden weer bemoeilijkt en leren lastiger maakt. Zoals socioloog Milio van der Kamp het verwoordt in zijn boek Misschien moet je iets lager mikken: ‘Waar de levens van kinderen uit de hogere sociale klassen in het teken staan van groei, stond mijn leven in het teken van overleven’.
Toch komen kinderen ondanks alles gemotiveerd naar onze school. We knokken samen voor de beste onderwijsresultaten, met zo goed mogelijk onderwijs. Uiteraard, hoe meer geld we krijgen vanuit Den Haag, hoe meer we kunnen doen. Maar wie opgroeit in armoede staat niet met 1-0 achter, maar met 10-0.
Kansengelijkheid ontstaat pas met gelijkheid in de samenleving. Zonder dat is extra onderwijsgeld niet meer dan pleisters plakken. Als we als samenleving het probleem niet bij de wortel durven aanpakken, dan komen we nooit van kansenongelijkheid af.
Het probleem speelt niet alleen in het onderwijs. We zien het in de toename van de ggz-aanvragen, bij de nood in het gevangeniswezen. De problemen stapelen zich op. Als de regering mensen in de steek laat, worden elders de gevolgen gevoeld. Moeten we daar pleisters plakken. Maar willen we als samenleving verder komen, dan moeten we investeren in betere omstandigheden voor iedereen.
We krijgen echter een kabinet dat de rijken en de bedrijven wil ontzien ten koste van andere groepen. Het mbo wordt in dit regeerakkoord weliswaar positief genoemd, maar alleen omdat er tekorten in het bedrijfsleven zijn. Het nieuwe kabinet besluit niet om praktisch geschoolden meer te gaan betalen, maar wil de opleidingen populairder maken met woorden en opleidingskortingen. Maar: als we het mbo echt willen waarderen, moeten we ervoor zorgen dat je een gezin kan onderhouden van een baan als (noem eens wat) verzorgende.
Zodat ook al mijn leerlingen trots hun eigen bed kunnen laten zien, een tafel hebben om huiswerk aan te maken en een goed gevulde koelkast. Met ouders die rust en tijd hebben voor de opvoeding, zonder geldzorgen. We moeten de oorzaak van kansenongelijkheid durven aan te pakken: de structurele ongelijkheid die ons land rijk is.









