Deze column verscheen eerder in Trouw.
Als leraar, maar ook als ouder, buurvrouw en opa, doe je de hele tijd aannames over kinderen. Zijn ze sportief? Slim? Handig? Creatief? Onderzoekend? Ook minder leuke karaktereigenschappen passeren de revue in onze hoofden: een kind is lastig, langzaam, ongeduldig, teruggetrokken. Ondertussen gaan de labels al heel jong in de hoofden van kinderen vastzitten, waardoor ze zich er de rest van hun leven naar kunnen gaan gedragen.
De labels die we plakken op onze kinderen, komen deels voort uit onze eigen voorkeuren. Ik zie het ook bij mijn eigen dochter van twee, die ik liefkozend ‘mijn kleine onderzoeker’ ben gaan noemen. Ik vond het zo leuk om te zien hoe ze alles wat ze tegenkomt vol overgave aanraakt en bekijkt.
Tegelijkertijd zie ik andere ouders ditzelfde gedrag van hun tweejarige begrenzen, omdat ze niet overal aan horen te zitten en voorzichtig moeten zijn. Het zou goed kunnen dat het verschil in omgang met ditzelfde gedrag invloed zal hebben op hoe ze zich later gedragen, hoe ze zichzelf zien en hoe anderen hen zien.
Op school worden ook veel labels op kinderen geplakt. We delen onze leerlingen bijvoorbeeld maar al te graag in ‘snelle’ en ‘trage’ leerders in, maar wat blijkt uit nieuw onderzoek? Dat kunnen we helemaal niet zeggen. Zowel bij leerlingen die worden gezien als ‘langzaam’ als bij leerlingen die worden gezien als ‘snel’ is de leerwinst per aangeboden oefening op school constant. Oftewel: ‘langzame’ leerlingen leren net zo snel als ‘snelle’ leerlingen. Het enige verschil? Hun startsituatie.
Nu weten we gelukkig al wel wat langer hoe bepalend de startpositie is voor leerlingen, maar toch doen we er weinig mee als we kijken naar potentie. We vinden het jammer als een leerling het antwoord op een vraag niet weet in de les, terwijl we ondertussen vergeten te kijken naar wat diezelfde leerling de rest van de les wel heeft geleerd.
Dat is vaak meer dan leerlingen die aan het einde van de rit ‘het meest weten’. De leerlingen met de grootste achterstand hebben dubbel zo hard gewerkt om die in te halen, wat hen dus eigenlijk tot de snelste leerling maakt. Maar dat wordt weinig gezien.
Het ergste van dit alles, is dat leerlingen het gaan zien als hun identiteit. Zoals Karen Heij, die promotieonderzoek deed naar de eindtoets in groep 8, het verwoordde: “Zelfs als je even hard vooruit gaat als kinderen die met een voorsprong zijn gestart, kun je nog steeds jaar in jaar uit te horen krijgen dat je bij de zwakke groep hoort. Dat gaat zich vastzetten in de hoofden van kinderen als: ik ben zwak, ik ben dom, ik ben niet goed genoeg. Met als gevolg dat de helft van onze kinderen zich uitgerangeerd voelt, terwijl ze een enorme bak talenten aan de samenleving te bieden hebben.”
De identiteit van onze kinderen staat niet vast. Natuurlijk zijn er verschillen, maar veel hiervan is voorlopig en beïnvloedbaar. En juist in die invloed zit de kracht van goede scholen: elk kind zien als iemand met 1001 mogelijkheden.









