Deze column verscheen eerder in Trouw.
“Je moet niet denken dat je het dossier van deze kinderen niet hoeft te lezen. Dat je ze helpt door er fris in te gaan.” Het is 2017, naast mij zit de zorgcoördinator van de school voor praktijkonderwijs waar ik na de zomer mijn eerste mentorklas krijg.
Ze vervolgt: “Deze kinderen hebben zoveel meegemaakt. Dat moet je weten voordat je ze les gaat geven.” Snel laat ze me zien waar ik de dossiers van de nieuwe eersteklassers kan vinden. Fanatiek begin ik met lezen, natuurlijk wil ik weten wie er bij me in de klas gaan komen.
Maar ergens voel ik ook weerstand bij het kort en bondig benoemen ‘hoe het zit’. Afgelopen schooljaar hoorde ik mezelf tegen een collega van mijn huidige school zeggen: “Waarom zou je nu al doorgeven dat deze kleuter moeilijk lerend is? Dat kan toch nog veranderen? Door zo’n stempel op hem te drukken, komt hij helemaal niet meer tot leren.” De collega keek me nuchter aan: “Omdat de nieuwe leerkracht dan weet waar zijn gedrag vandaan komt, achter het gedrag kan kijken en hem verder kan helpen.”
Dat is ook zo. Het is de reden waarom ik altijd in alle dossiers duik. Maar juist de angst voor stempels zorgt ervoor dat veel mensen in het onderwijs niet de dossiers lezen. Onbevangen voor de nieuwe groep staan is het doel, zonder vooroordelen. Veel kinderen zijn daar echter helemaal niet mee geholpen. Als we niet begrijpen waar gedrag of leerproblemen vandaan komen, kunnen we ze ook niet goed begeleiden.
Het is een wankel evenwicht. Een dossier moet geen blauwdruk worden. Iets waar ook veel ouders bang voor zijn. Daarin moet je als leraar je verantwoordelijkheid nemen, maar het is ook afhankelijk van de kwaliteit van de dossiers. Wordt er geschreven over oorzaken van gedrag of leerproblemen? Zijn de adviezen nuttig? Of wordt er alleen benoemd wat goed en niet goed gaat?
En hoe communiceren we dat met de kinderen en jongeren? Zoveel leerlingen aan wie ik les heb gegeven hadden last van hun stempel, voelden zich minderwaardig omdat ze bijvoorbeeld druk, snel boos of moeilijk lerend waren. Maar zodra ze leraren hadden die hun stempel gingen gebruiken om de aanpak op aan te passen, gingen de leerlingen bloeien. Weg van de oppervlakte, durven duiken in de diepte.
Een leerling zei het mooi: “U weet waar ik vandaan kom, maar u ziet meer in mij dan alleen dat. U heeft er vertrouwen in dat het met mij goed afloopt. Daarom durf ik mijn best te doen.”
De beste scholen zijn voor mij de scholen die zich verantwoordelijk voelen voor de resultaten van álle leerlingen, en niet de labels verantwoordelijk stellen als het even tegenzit. Een dossier moet een hulpmiddel zijn om jezelf handelingsadviezen te geven en met mildheid naar het kind te kijken, niet om het kind te beoordelen, te veroordelen of af te schrijven.
Zoals traumasensitief onderwijs ons leert: uiteindelijk moeten we niet de verwachtingen verlagen als een kind veel heeft meegemaakt, maar de draagkracht vergroten. Complimenten en positiviteit vergroten de draagkracht. Daarvoor helpt het om te weten waarop je succeservaringen kunt geven. Zoals de drukke leerling een compliment geven voor rustig werken (misschien wel het eerste in z’n leven), de moeilijk lerende leerling een voldoende voor z’n toets. Het kunnen stapjes zijn naar veel meer vertrouwen. Maar daarvoor moet je wel eerst de dossiers lezen.









