Deze column verscheen eerder in Trouw.
“Als ik zie hoe je dochter met poppen speelt, baal ik er echt van dat ik vroeger geen pop had”, zegt een mannelijke vriend die koffie bij mij drinkt. Mijn tweejarige dochter zingt vlak bij ons liedjes om haar pop in slaap te brengen. Ze zegt: “Lekker slapen, in bed blijven liggen, ik ben dichtbij.”
Precies zoals mijn vrouw en ik altijd tegen haar zeggen. De vriend vervolgt: “Ik denk oprecht dat mannen beter met hun emoties zouden kunnen omgaan als ze gewoon als kind met poppen hadden gespeeld. Je zíet gewoon de verwerking van het leven in het spel.”
Wetenschappelijk onderzoek geeft hem geen ongelijk: met poppen spelen op jonge leeftijd bevordert empathie en het omgaan met emoties en versterkt een veilige hechting. Het activeert dezelfde hersengebieden als bij het spelen met vriendjes. Toch blijft het spelen met poppen door jongens enorm achter. Hoe mannelijke rolmodellen reageren als ze een jongen zien spelen met een pop, blijkt hierbij cruciaal. Keurt een vader of meester het af, dan is de jongen er snel klaar mee.
Mijn oma bedacht samen met de feministische actiegroep Man Vrouw Maatschappij in de jaren zeventig een campagne met bijbehorende poster met de tekst: ‘Mogen wij misschien’? Waarop een meisje met treintjes speelt en een jongetje met poppen. Ze was een groot voorstander van het gelijkwaardig aanbieden van speelgoed. Mijn oma werd er vaak belachelijk om gemaakt. Ze zou haar zonen opvoeden tot slappelingen.
Als met poppen spelen ervoor zorgt dat je je leert inleven in een ander, je je eigen ervaringen kunt verwerken en kunt ‘praten’ tegen iemand die je vertrouwt, zou ik geen reden weten om jongens níet met poppen te laten spelen. Aan de natuurlijke aanleg van de hersenen van de jongens ligt het niet. Het zijn toch voornamelijk de omgevingsfactoren die ervoor zorgen dat jongens te weinig oefenen met ‘niet-stereotiepe’ rollen, aldus neuropsycholoog Jelle Jolles. De context vormt het brein.
Er wordt vaak benoemd dat we meisjes meer technisch speelgoed (lego, blokken, ingewikkelde puzzels) moeten aanbieden, zodat ruimtelijk en technisch inzicht beter ontwikkeld kunnen worden. Waarom draaien we dit niet ook om? We verwachten dat jongens meegaan met de emancipatie, maar voor veel van hen ontbreekt het daarbij aan duidelijke handvatten.
Mijn dochter legt haar pop op mijn schoot met de boodschap: “Pop is verdrietig, mama moet troosten.” Ik vraag me af: zou het aandeel jongens op de school waar ik werk – voor leerlingen met externaliserende gedragsproblematieken – krimpen als ze eerder in hun leven met emoties zouden kunnen oefenen door met poppen te spelen? Op onze school is zo’n 87 procent jongen. De jongens bij mij in groep 8 zeggen allemaal dat ze nooit met poppen hebben gespeeld.
Natuurlijk moeten we kijken naar genderrollen in de opvoeding in de breedste zin van het woord. Maar we zouden kunnen beginnen met het actiever introduceren van poppen bij jongens. Zónder afkeurende blikken in hun omgeving als ze er daadwerkelijk mee gaan spelen.
Heel veel gedrag van tieners en volwassenen wordt bepaald door wat je als kind hebt ervaren. Hoe je hebt geleerd om te gaan met emoties, de eigen behoeften en die van een ander, tegenslag. Laten we die basis voor elk kind zo rijk mogelijk maken.









